Verlaagt of verlaagd: beide vormen bestaan en allebei zijn ze goed, maar ze horen op een andere plek in de zin. "Verlaagt" is de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd bij hij, zij, het, u en je (achter de persoonsvorm): "De gemeente verlaagt de parkeertarieven." "Verlaagd" is het voltooid deelwoord, dat je gebruikt met een hulpwerkwoord zoals hebben, zijn of worden: "De parkeertarieven zijn verlaagd." Je kiest dus "verlaagt" als het werkwoord zelf het hoofdwerkwoord in de tegenwoordige tijd is, en "verlaagd" als er al een ander werkwoord in de zin de persoonsvorm vormt. Twijfel je, vervang het woord dan door een werkwoord waar je het verschil hoort, bijvoorbeeld "verhogen": "De gemeente verhoogt" klinkt als tegenwoordige tijd, "zijn verhoogd" is duidelijk voltooid deelwoord.
Waarom is dit zo vaak een twijfelgeval?
Het probleem is simpel: in de uitspraak klinken "verlaagt" en "verlaagd" precies hetzelfde. Aan het eind van een Nederlands woord spreek je de d altijd uit als een t. Je hoort dus geen verschil en moet het op de grammatica doen. Dat geldt voor alle werkwoorden met een stam die eindigt op een d of t-klank, en zeker voor werkwoorden waarvan de stam op een g eindigt, zoals verlagen, verhogen of vragen.
Daar komt bij dat "verlaagd" ook als bijvoeglijk naamwoord voorkomt ("een verlaagd plafond", "verlaagde tarieven"). Je ziet het woord dus in drie rollen: persoonsvorm, voltooid deelwoord en bijvoeglijk naamwoord. Alleen in de eerste rol schrijf je een t. Meer uitleg over hoe de werkwoordspelling in elkaar zit, vind je op de site van de Taalunie.
Wanneer schrijf je verlaagt met een t?
De stam van verlagen is "verlaag". In de tegenwoordige tijd krijgt de tweede en derde persoon enkelvoud een t achter de stam. Je schrijft dus:
- ik verlaag
- jij verlaagt, verlaag jij
- hij, zij, het, u verlaagt
- wij, jullie, zij verlagen
Let op de omkering bij "je" en "jij": staat het onderwerp achter de persoonsvorm, dan vervalt de t ("verlaag je de huur?"). Bij "u" blijft de t staan, ook bij omkering: "verlaagt u de huur?" Dat is een klassiek struikelblok in zakelijke mails.
Een paar voorbeelden waarin "verlaagt" klopt: "De bank verlaagt de rente." "Dit medicijn verlaagt je bloeddruk." "Een goede isolatie verlaagt je energierekening." In alle gevallen is er geen hulpwerkwoord en speelt het verhaal zich in het nu af.
Wanneer schrijf je verlaagd met een d?
Het voltooid deelwoord van verlagen is "verlaagd". Je bepaalt de laatste letter met de bekende regel van 't kofschip (ook wel 't fokschaap of xtc-koffieshop genoemd). Eindigt de stam op een van de medeklinkers uit 't kofschip (t, k, f, s, ch, p, x), dan krijgt het voltooid deelwoord een t. De stam "verlaag" eindigt op een g, en die zit niet in 't kofschip. Dus: verlaagd met een d.
Je herkent het voltooid deelwoord aan het hulpwerkwoord in de zin: "De prijzen zijn verlaagd." "Hij heeft het plafond verlaagd." "De snelheid wordt verlaagd naar 100 kilometer per uur." Ook in de verleden tijd zie je de d terug: "verlaagde" ("de gemeente verlaagde vorig jaar de tarieven"). De uitgebreide vervoeging kun je nalezen in het Groene Boekje.
Hoe zit het met verlaagd als bijvoeglijk naamwoord?
Zodra "verlaagd" voor een zelfstandig naamwoord staat, is het een bijvoeglijk naamwoord en gedraagt het zich ook zo. Je schrijft dan "een verlaagd plafond" (onzijdig, zonder lidwoord "de") en "het verlaagde plafond" of "de verlaagde prijs" (met e-uitgang). De d blijft in alle vormen staan, want het bijvoeglijk naamwoord is afgeleid van het voltooid deelwoord.
Deze vorm kom je vaak tegen in advertenties en productbeschrijvingen: "verlaagde tarieven", "verlaagde instap", "een verlaagd bed". Nooit met een t dus, ook al klinkt het identiek.
Welke ezelsbruggetjes werken echt?
De betrouwbaarste truc is vervangen door een werkwoord met een hoorbaar verschil. Neem "lopen": "hij loopt" (tegenwoordige tijd, persoonsvorm) tegenover "hij heeft gelopen" (voltooid deelwoord). Kun je "verlaagt" vervangen door "loopt", dan hoort er een t. Past "gelopen" beter, dan is het "verlaagd". Een tweede hulpmiddel is zoeken naar een hulpwerkwoord: zie je "heeft", "is", "wordt", "zijn", "worden" of "was" in de buurt, dan is "verlaagd" bijna altijd de juiste keuze.
Een derde controle is de verleden tijd. Bij regelmatige werkwoorden eindigt de verleden tijd op -de of -te, en die letter is dezelfde als de laatste letter van het voltooid deelwoord. "Verlaagde" eindigt op -de, dus het voltooid deelwoord eindigt op een d. Ook handig bij werkwoorden als "vergroten" (vergrootte, dus vergroot) of "verbreden" (verbreedde, dus verbreed). Wil je meer van dit soort regels oefenen, dan bieden sites als Onze Taal en Beter Spellen dagelijks korte oefeningen.
Welke vergelijkbare werkwoorden geven dezelfde twijfel?
Bijna alle werkwoorden met een stam op een g, d, b of een klinker zitten in hetzelfde schuitje. Denk aan verhoogt of verhoogd, vraagt of gevraagd, betaalt of betaald, gebeurt of gebeurd, antwoordt of geantwoord. Telkens geldt dezelfde logica: persoonsvorm in de tegenwoordige tijd krijgt een t achter de stam, het voltooid deelwoord volgt 't kofschip. Omdat de stam in deze gevallen niet op een kofschipmedeklinker eindigt, eindigt het voltooid deelwoord op een d.
Werkwoorden als "verwachten" en "praten" zijn de spiegelbeelden: daar eindigt de stam op een t, zodat het voltooid deelwoord ook op een t eindigt (verwacht, gepraat). Je ziet dus dat de kofschipregel alleen bepaalt of het voltooid deelwoord een d of een t krijgt. Voor de persoonsvorm geldt altijd stam plus t, ongeacht het werkwoord. Wie dat onderscheid scherp heeft, maakt in de praktijk vrijwel nooit meer een fout met verlaagt of verlaagd. De overzichtspagina's over werkwoordspelling op Wikipedia vatten de regels nog eens kort samen als je ze wilt nalezen.